woensdag 10 november 2010

Voor de zesde keer beëdigd!

In 1989 werd ik beëdigd als gerechtssecretaris. Van het moment zelf weet ik niets meer, de foto is me echter heel dierbaar. Samen met twee raio collega's staan we wat stijf voor de rechtbank. De kleding oogt outdated, onze haren zijn nog jong. (De foto toont ons van achteren, ik vrees dat ook de gezichten schokkend jong zouden ogen).
De eedsformule werd op de rechtbank destijds voorgelezen uit een vrijwel versleten boek waar alle mogelijke eedsformules keurig met de pen in genoteerd stonden. Wij  moesten toen onder meer beloven dat we ons als een braaf en eerlijk rechterlijk ambtenaar zouden gedragen. Voor mij is die foto niet belangrijk vanwege het plechtige moment van de beëdiging, maar omdat het de eerste foto is van ons samen, inmiddels vriendinnen voor het leven.

Een van hen was twee jaar later officier van justitie op de zitting waar ik beëdigd werd als raio-officier, ze vertelde toen dat ik een prima collega was, daar moesten we samen wel om giechelen.

Twee jaar later volgde mijn beëdiging als advocaat. Ik kan me daarvan vooral herinneren dat ik het zo leuk vond dat mijn nieuwe collega's er echt even een plechtigheid van maakten. Iedereen van kantoor was er. Ze kwamen speciaal voor mij even naar het Haagse paleis van justitie. Ik voelde me op dat moment heel welkom.

Weer later de beëdiging tot echte officier van justitie, daar kan ik me niets van herinneren. Wel weet ik nog goed hoe de plechtige installatie was. Mijn familie was gekomen, ook mijn moeder was er bij. Omdat op die zitting ook de honderdste rechter in de Haagse rechtbank werd geïnstalleerd is het woord officier zelfs niet gevallen. Welkom, dat was het enige maar feitelijk ook belangrijkste woord dat aan mij werd besteed. 

Vier jaar later werd ik beëdigd als advocaat generaal, even snel want ik moest dezelfde dag nog een zitting gaan doen. Een kleine kamer achteraf, wat was mijn naam ook alweer? Snel de eedsformule, "dat beloof ik" en hup weer aan het werk. 

Uiteindelijk ben ik zelf wel bij honderden mensen officier van justitie geweest op een beeidigings/installatiezitting. Soms en petit committee op de kamer van de rechtbankpresident, dan weer twee zittingen op een vrijdagmiddag, achter elkaar, gevuld met advocaten. Ik heb daar altijd wel getracht bij de te beedigen personen het gevoel "Welkom" achter te laten. Maar ook daar ging het wel eens wat terloops, snel snel voor de eerste zitting alle formaliteiten op orde.

En toen mocht ik zelf weer, deze week. Voor de zesde keer beëdigd, nu als politieagent.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik van te voren niet zo goed wist wat ik er van moest vinden. Na ruim tien maanden bij de politie een echte plechtige beëdiging in de Laurenskerk.
Na afloop kijk ik er toch wel met veel plezier op terug.  Het geheel was strak georganiseerd, we hebben vooraf nog geoefend hoe we moesten staan en waar we gingen zitten.   
Het zag er uiteindelijk ook wel heel mooi uit. Ruim zestig mensen geheel in officieel tenue, opgesteld in vier rijen in de plechtige kerk. Een praatje van de nieuwe korpschef en daarna allemaal een voor een de eed of de belofte afleggen.  Uiteindelijk was er ook voor iedereen een mooie bos bloemen en dat maakte het plaatje wel weer helemaal af.
Voor mijn man was het voor het eerst dat hij zoveel feestelijke tenues, zoveel "goud" bij elkaar zag. Een sjiek inkijkje in mijn wereld.

maandag 25 oktober 2010

steeds een stapje

Na tien maanden in Oost rijst de vraag hoe ik verder zal gaan met mijn traject. Dat is lastig en leuk. Leuk omdat ik merk dat ik me hier echt thuis voel. Ik vind het een mooie organisatie met hele mooie mensen en een hele hoop leuke klussen. Er is veel te doen, er gebeurt een hoop en de maatschappij vraagt veel van ons. Ik kan daar genoeg aan bijdragen en doe dat ook met veel plezier.
Lastig omdat er wel veel veranderd is de afgelopen maanden. Toen ik hier begon leek het nog dat er best wel een plek voor mij beschikbaar zou komen. Er was sprake van leidinggevenden op mooie plekken in het korps die wellicht een andere baan zouden vinden en er leek ruimte voor kansen en ontwikkeling.
Daar is de laatste maanden veel in veranderd. De financiële positie van het korps is niet goed. Naast de bezuinigingen die de politie hoe dan ook raken heeft het Rotterdamse korps ook te maken met een negatieve uitkomst van de verdeling van het totale politiebudget. Tel daarbij op de vrijwel zekere komst van een Nationale politie en het plaatje wordt niet rooskleurig. Dat merk ik, er zijn minder kansen. Dat merken anderen, mensen maken minder loopbaanstappen in tijden van onzekerheid. Als er politieregio's moeten worden samengevoegd zullen er zeker plekken op mijn niveau verdwijnen.
En dat net op het moment dat ik formeel blauw ben geverfd, inclusief certficaten voor IBT (aanhoudings- en zelfverdedigingstechnieken, pepperspray, handboeien en wapenstok) en het prachtige "optreden in het publiek domein"
Vanaf volgende maand ben ik "formeel" plaatsvervanger op Oost, tot het einde van mijn  detachering. En dan?
Al met al voldoende stof tot nadenken. Ik spreek met HRM adviseurs, leidinggevenden bij politie en OM en richt tegelijkertijd mijn blik ook naar buiten. Verder spreek in in mijn vriendenkring en mijn netwerk over mijn dilemma's. Dat levert heel heel goede input en veel nieuwe inzichten op.

Toen ik aan dit jaar begon heb ik me gerealiseerd dat er in het laatste kwartaal veel onzekerheid zou komen. Die is er nu volop. Wat is me toen niet realiseerde is de enorme meerwaarde van support en feedback. Alleen daarom al zou ik deze periode nooit willen missen.

sneeuw

De sneeuw heeft hem verraden.
In een eensgezinswoning aan een pleintje in Capelle aan den IJssel is een hennepkwekerij ontmanteld. De aanleiding voor het onderzoekje naar het pand is onder meer een anonieme brief met daarbij een foto van een rijtje pannendaken waarbij opvalt dat bij een huis het dak bijna helemaal vrij van sneeuw of ijs is.De afdeling opsporing handelt de zaak af. De wijkpolitie wordt gevraagd te assisteren bij een klein buurtonderzoek. Wat hebben de buren en overburen gezien? Kwamen er vaak onbekende mensen in het pand. Hoe lang zou dit al kunnen spelen? Is gezien dat er bijvoorbeeld bijzondere spillen het pand in of uit gingen? Denk dan aan bouwmaterialen of assimilatielampen? Om een antwoord op die vragen te krijgen gaan we met zijn vieren op pad. In koppels van twee gaan we met een vragenlijst alle huizen langs.
Bij ongeveer een op de tien huizen is iemand thuis. Waar de deur open wordt gedaan mogen we steeds binnenkomen.
Het zijn allemaal huizen uit de vijftiger jaren. Kleine eensgezinswoningen die voor het overgrote deel bewoond worden door leden van de in de buurt gelegen zwarte-kousen-kerk. De panden waar we komen passen stuk voor stuk in een aflevering van Man Bijt Hond. Het ene huis telt zeven eikenhouten klokken en een enorm harmonium, in het volgende huis staan zeven enorme leren stoelen, stuk voor stuk versleten en voorzien van kussens of een echt Perzisch tapijtje.
In het huis recht tegenover het pand waar de hennepkwekerij is ontmanteld worden we ontvangen door een struise dame van tegen de tachtig. We vertellen haar slechts dat er in een huis tegenover haar een hennepkwekerij is ontmanteld en dat wij benieuwd zijn of zij nog iets bijzonders heeft gezien.
Kom binnen. We mogen onze schoenen aan houden als we ze maar goed afstampen, zegt ze op besliste toon. Koffie? Visioenen van dikke melkvellen komen direct op. We weigeren vriendelijk dit mooie aanbod.
We hoeven niet veel te vragen. Mevrouw brandt direct los.
Ja ze heeft veel gezien. Haar man was ziek he? En dus zaten ze veel in de voorkamer en dus keken ze altijd naar buiten en dus zagen ze alles.
Herhaaldedijk zegt ze dat ze zich enorm heeft verbaasd over het feit dat de politie hier niet veel eerder iets aan heeft gedaan.
Het was immers duidelijk dat het daar in dat huis allemaal helemaal niet deugde! De bewoner kwam en ging op de meest vreemde momenten, nou dan weet je het wel.
En hij had ook wel veel verschillende mensen op bezoek, dat de politie daar niets aan deed, verbazingwekkend!
Haar waterval aan verhalen over jochies uit de buurt die op weg naar catechisatie op maandagavond tegen haar ruit bonsden enzovoorts is lastig te stuiten.
We blijven het proberen met algemene vragen. Weet u sinds wanneer de man het pand bewoonde en heeft u weleens vreemde dingen gezien?
Ach zegt ze, iedereen wist het he? Iederdeen kon zien dat het niet deugde!
En toen ging het dus sneeuwen.
Nou ik zei nog tegen mijn dochter: kijk eens: alle daken zijn wit, alleen daar is het hele dak ontdooid, ze stoken voor de balken zei ik nog.
Ja me dochter zag het ook. Die zag ook wel dat het niet klopte he?
Kijk, en toen heeft u dus die anonieme brief gekregen met die foto van dat rijtje huizen waar je precies op kon zien dat het dak bij hem niet onder de sneeuw lag.
Ja ik zeg nog tegen me dochter: de sneeuw heeft hem verraden.

cybercrime.

Aan de balie van bureau Slotlaan staat een man met een wat ingewikkeld verhaal. Hij spreekt over fraude of oplichting en vertelt voor ongeveer 20.000 euro te zijn benadeeld.

"He Marijke, dat is wel een leuke aangifte voor jou, wil jij meekijken met Naas? Zij gaat nu de aangifte opnemen." Naas is hoofdmewerker bij ISO, de afdeling intake, service en ondersteuning van District Oost.

We gaan met zijn drieën naar de ruimte bij de balie waar aangiften kunnen worden opgenomen.

Meneer vertelt zijn verhaal:

Hij heeft een internetwinkel in fotoapparatuur van een duurder merk. Tot twee keer toe heeft hij een forse bestelling ontvangen uit Hong Kong. Bij deze bestellingen heeft hij steeds de klant gevraagd de kopie van diens voor- en achterkant van de creditkaart aan hem te mailen. Pas nadat dit gebeurd is heeft hij de spullen verzonden per koerier. De koerier stuurt hem een rekening waarop onder andere het gewicht van het verzonden pakket staat. De koerier levert het pakketje drie dagen later af en heeft twee keer een afleverbericht met een handtekening voor ontvangst.

Ruim twee maanden na de betaling komt de creditcardmaatschappij bij hem met een claim van de kopers in Hong Kong. Deze zouden de verkoper per mail hebben gemaand omdat zij niet alle spullen hadden ontvangen. In het eerste geval is alleen een filter en in het tweede geval alleen een hoesje voor een lens ontvangen.

Maar de verkoper zegt die mail nooit te hebben ontvangen. En dat is natuurlijk altijd erg lastig te bewijzen. De kopietjes van uitdraaien die de kopers aan de creditcardmaatschappij hebben gestuurd geven niet aan dat zij uit een map "verzonden berichten" komen. Zijn ze wel verstuurd? Zijn er eigenlijk wel twee verschillende kopers of zit er meer achter? Tja en dan is er natuurlijk ook nog het verzendbewijs inclusief gewichtsvermelding. Toch verhaalt de creditcardmaatschappij in het eerste geval het totale bedrag op onze verkoper, in het tweede geval loopt de discussie nog. Schade voor hem? Ongeveer 20.000 euro.

Goed. Is dat een zaak voor de politie? Is het fraude? Kunnen we dit opsporen? Alle vragen komen in het gesprek aan de orde. We hebben het over civiele koopovereenkomsten, het vertrouwen, wat tenslotte de basis is voor verkoop via internet. Ook de wijze waarop rechtshulpverzoeken naar China gaan komt ter sprake.

Uiteindelijk komen we op het volgende: Meneer gaat nog eens de discussie aan met zijn creditcardmaatschappij . We maken een mutatie op van dit verhaal. Meneer ontvangt daarvan een afschrift, zodat hij dat eventueel kan laten zien aan derden.

En opsporen? Natuurlijk is dit cybercrime ten voeten uit. Maar ik denk niet dat er veel kans is dat de kopers ooit aangepakt gaan worden. Tenzij op enig moment blijkt dat dit meer voorkomt. Dat is de klant ook helemaal met ons eens. Als hij na anderhalf uur weggaat bedankt hij ons voor de ontvangst en de uitleg.

vrijdag 25 juni 2010

Hierarchieverschillen

Juni 2010. Inmiddels zit ik alweer zo’n drie maanden bij de districtsleiding van het Rotterdamse politiedistrict Oost. Als ik mensen spreek over mijn ervaringen binnen het Rotterdamse politiekorps komt al snel de vraag naar voren: en wat is nu het grootste verschil?

Ik moet eerlijk zeggen dat ik niet zo goed weet wat ik op die vraag moet antwoorden. De verschillen tussen het Openbaar Ministerie en de Politie zijn te vergelijken met de verschillen tussen twee supermarkten uit een vergelijkbaar prijssegment. De eigenaren zijn anders, de inrichting is anders en het assortiment verschilt een beetje. Bij de een is de koffie wat goedkoper, bij de ander is de kaas wat gunstiger geprijsd. Maar bij beide doe ik boodschappen, bij beide vind ik mijn weg en bij beide ga ik steeds weer tevreden met een kar vol boodschappen naar buiten.
Natuurlijk is het zo dat de ene supermarkt het soms wat beter doet dan de andere. Ook daar zijn accentverschillen te bespeuren bij de aanpak van problemen, bij de inrichting en bij de wijze waarop het personeel wordt geïnstrueerd. Maar beter of slechter? Ik weet het niet.

Ik ga daarom mijn aandacht niet richten op het grootste verschil. Ik probeer steeds een accentverschil te analyseren, beet te pakken en te doorgronden.
Een van de accentverschillen is het verschil in hiërarchie, of eigenlijk moet ik zeggen, in de benadering van het verschijnsel hiërarchie.

Toen ik in 1991 als RAIO (rechterlijk ambtenaar in opleiding) begon bij het OM was de hiërarchie daar nog beperkt. Er was nog geen college van procureur generaals. Er was een hoofdofficier en er was een teamleider maar de vrijheid om in mijn eigen zaken, in mijn eigen gebied te opereren was groot. Er waren weinig beleidsuitgangspunten en er was niet veel op schrift gesteld over gebruikelijke eisen in vergelijkbare zaken. Dat maakte het werk heel uitdagend, en soms ook wel wat eenzaam. Ik deed mijn stinkende best om te doen wat goed was, of wat ik dacht dat goed was, maar er waren weinig momenten van overleg. Voor mij heeft het wel gewerkt, ik weet zeker dat ik toen geleerd heb om steeds terug te gaan naar de basis. Ik heb me meerdere malen afgevraagd wat ik wilde bereiken, waar het OM echt voor stond en hoe ik daar op de juiste wijze mijn bijdrage aan kon leveren.

Geleidelijk aan zijn er steeds meer kaders gekomen, meer richtlijnen voor de strafvordering. Er kwamen afspraken over de vraag wat met wie moest worden besproken. Dit deel van de hiërarchie gaf helderheid, zekerheid en bood ook inzicht. Wel was het zo dat de strakkere lijnen, de verplichte uitgangspunten niet altijd in goede aarde vielen in deze organisatie met super professionals. “Ik heb het zelf niet bedacht dus wie zegt mij dat het goed is? Wie heeft dat dan bedacht en wist die persoon wel genoeg om zoiets op papier te zetten?"

Dat waren en zijn vaak de eerste reacties van professionals op alle nieuwe ontwikkelingen, zeker binnen een juridische, en dus wat conservatieve, organisatie als het OM. Het is dan sterk de taak van de leidinggevende, de sleutelfiguren, om weerstanden weg te krijgen en de dialoog aan te gaan. En daar zit dan tevens het lastige punt: waar stop je met uitleggen, waar stop je met praten en wanneer is de boodschap: dit moet gewoon? En hoe breng je zo’n boodschap?

De politie is van oudsher meer hiërarchisch ingesteld. Ik hoor met enige regelmaat nog verhalen over het drillen, het groeten, het belang van rangonderscheidingstekens. Tijdens de lunch deelt men herinneringen over een adjudant die op het strand van Ouddorp de mannen uitschold, zijn schoenen liet poetsen en ronduit bezopen opdrachten verleende. Die excessen zijn er wel uit. Wat blijft is een soort van natuurlijke acceptatie van de hiërarchie. Dat, in samenhang met een cultuur die gericht is op actie, maakt dat het logisch wordt om opdrachten te verstrekken.

En dan komt het punt wat echt opvalt. Een opdracht die gegeven wordt vanuit een benadering dat het vanzelfsprekend is dat de boodschap en de boodschapper worden geaccepteerd komt beter over dan een opdracht die gegeven wordt door een persoon die weet dat er hele bergen tegengas gaat komen.
Er valt nog genoeg te leren…

zaterdag 19 juni 2010

De dikke man.

" Rijnmond 603; kunnen jullie gaan naar de X straat? Er is een voetganger onwel en de ambulance medewerkers krijgen hem niet op de brancard. Hij is te zwaar. Kunnen jullie even assisteren?"
"Onderweg!"

We gaan op pad, zonder toeters en bellen. De ambulance is immers al ter plaatse en bovendien zijn we niet verwijderd van de plek waar de man ligt.
Als we aankomen lijkt alles redelijk normaal. Er ligt een man op het fietspad, op zijn rug. Hij heeft pijn aan zijn been. Hij is gestruikeld. Het slachtoffer is Kees. Kees werkt bij het bedrijf waar we vlak voor staan.

Als ik eerlijk ben is mijn eerste indruk van Kees niet die van een hele dikke man. Dat verandert als de ambulancebroeder mij aanwijst om het hoofd van Kees beet te houden, terwijl ze doende zijn een soort opblaasbare spalk om hem te bevestigen. Kees is groot, redelijk in proportie maar wel heel fors. Vooral zijn blote buik die onder zijn jas en trui uit hangt valt op. Die buik is enorm. Kees moet de brancard op. Twee ambulancebroeders, drie keer politie en ook een collega van Kees en een toevallig passerende brandweerman sjouwen mee.
Wanneer Kees op de brancard ligt blijkt dat hij eigenlijk te breed is voor dat smalle bed. Hij lijkt er bijna af te glijden aan een kant. Dan is het natuurlijk belangrijk dat hij echt goed wordt vastgemaakt. Ook dat lukt amper, de riemen zijn eigenlijk te kort om zijn buik te omspannen. Als hij vast zit gaat de brancard op zijn wielen en lijkt de klus bijna geklaard.

De brancard moet de ambulance in worden gereden maar daar ontstaat het volgende probleem. De rail waar de brancard op moet worden geschoven bevindt zich aan de rechterkant van de kasten in de wagen. En waar de kasten staan hangt ook de buik van Kees. Dat gaat niet passen. Er wordt een andere ambulance opgeroepen, een grote met de rail in het midden van de wagen in plaats van aan de zijkant.

Er is inmiddels wel echt spoed geboden bij de aanpak van Kees. Hij is misschien niet zo heel erg gewond, maar het is wel 4 graden onder nul en hij ligt al met al toch wel zo'n drie kwartier buiten in de kou te kermen van de pijn. We besluiten de brancard naar binnen te rijden, naar de hal van het bedrijf waar Kees werkt. We verspelen nog een paar minuten omdat de schuifdeuren van de toegangsluis niet berekend zijn op deze lange stoet. De voorste deuren gaan niet open zolang de achterste deuren nog niet helemaal gesloten zijn. En medewerkster van het bedrijf kijkt vanaf de balie binnen rustig toe hoe wij ons in een soort van slapstick tussen de heen en weer schuivende deuren proberen te manoeuvreren. Open dicht, naar voren en naar achteren, beetje scheef rijden, we kijken elkaar maar even niet aan.

Binnen wachten we op de nieuwe ambulance.
Er is echter wel een probleem. Kees ligt nog steeds half op en half naast de brancard. En Kees moet niet van de brancard vallen. Ook is het niet echt de bedoeling dat hij met brancard en al omstort. Kortom, of wij Kees nog even willen tegenhouden. Samen met mijn collega sta ik aan de kant van de brancard waar Kees half van afglijdt. We zetten ons schrap en houden hem tegen. Een klusje van niets. Ware het niet dat de ambulancebroeders ondertussen een gedegen medisch onderzoek starten, de derde collega op straat de tweede ambulance op zal vangen en wij al met al een minuut of twintig lang met stramme schouders de man moeten stutten.

Het medisch onderzoek start met de besliste vraag: "Ik neem aan dat u hoge bloeddruk heeft?" Ja inderdaad. "Leidt u ook aan diabetes?" Ja inderdaad. "En wat weegt u?" Nou de laatste keer dat ik me woog was ik 140 kilo...
Ik vermoed dat hij zich al heel lang niet meer heeft gewogen.

Als Kees uiteindelijk in de grote ambulancewagen wegrijdt naar het ziekenhuis en wij gelukkig onze armen en schouders weer kunnen bewegen zijn we het allemaal eens: de komende drie weken alleen maar groene sla, want dit wil ik nooit zelf meemaken.

vrijdag 14 mei 2010

Blekersveld

De meldkamer Rotterdam Rijnmond meldt zich via de porto, we worden opgeroepen:

“Rijnmond 601. Er ligt een man in de gang van zijn eengezinswoning. Hij is gevallen. De ambulance is ter plekke maar men komt de woning niet in. Kunnen jullie assisteren?”

“Onderweg!”

Wij laden de "ram" in en zijn snel ter plaatse. De deur zit op drie sloten en op de ketting. De deur wordt opengeramd en het ruitje naast de voordeur wordt ingetikt om de ketting opzij te schuiven. Totdat we binnen zijn hebben we contact met de bewoner via de brievenbus Meneer ligt op zijn buik onder aan de trap in het halletje en is gelukkig goed aanspreekbaar.

Hij is in de nacht onwel geworden op weg naar het toilet en heeft vanaf een uur of vijf op de vloer en tegen de muur geklopt in de hoop op hulp.

De buurman staat ook voor het huis. Hij heeft 112 gebeld want hij hoorde steeds getik. Hij heeft zich snel aangekleed en is gaan kijken. Deze buurman is 89 en zit vol verhalen. Hij heeft namelijk zelf zo'n 40 jaar bij de politie gewerkt en geniet nu al weer zo'n dertig jaar van zijn pensioen. Hij werkte eerst bij de rivierpolitie, in 1953 heeft hij nog geholpen bij de watersnoodramp.

Het was zwaar werk bij de rivierpolitie, onder andere door de vele doden waar ze mee werden geconfronteerd. Als ik wat verbaasd vraag waar al die doden dan vandaan kwamen vertelt hij over de vele ongelukken die gebeurden in de haven voor de arbeidsinspectie serieus aan de slag ging. Hij vertelt over zijn contacten met commissaris Jan Blaauw (hij mocht Jan zeggen!) en over de zaak die hem altijd is bijgebleven: De moord op het Blekersveld.

In die zaak heeft hij nog getuigen verhoord. Het was echt een heftige zaak hoor! Zelfs de patholoog anatoom was erg van onder de indruk van de ernst van het gebruikte geweld. Als ik hem aanvul en zeg: "Oh ja, dat was doctor Zeldenrust toch?" stijg ik zichtbaar in zijn achting.

Hij is erg geïnteresseerd in het werk van de politieman in deze tijd en vraagt werkelijk honderduit.

Hoe ervaar ik het geweld tegen politiemensen, wat vind ik van het verminderde respect voor het werk? Hoe is het om als vrouw bij de politie te werken? Hij weet nog goed dat de eerste politievrouw kwam.

Ik durf hem eigenlijk niet te vertellen dat ik geen veertig jaar maar nog maar veertig dagen bij de politie werk....

Inmiddels is de bewoner al overgebracht naar de ambulance waar een eerste onderzoek plaats vindt. Daarna arriveert er een scootmobiel met daarop een gewaarschuwde vriendin met de sleutel (iets te laat, maar met die ketting op de deur waren we toch niet binnengekomen).

De buurman gaat terug naar zijn eigen huis, we vegen het glas op, stofzuigen de gang, wachten op de slotenmaker en spreken met de inmiddels ook gearriveerde zoon van de bewoner. Als we zeker weten dat alles weer in vertrouwde handen is vertrekken we. De hele klus duurde al met al zo’n veertig minuten.

Buurman zwaait ons vriendelijk na.

Pas als ik weer terug op het bureau ben merk ik dat dit voorval veel indruk op me heeft gemaakt. Werkelijk alle aspecten van het werk op straat ben ik tegengekomen. De spanning van het onverwachte: wie tref je aan en hoe is de toestand van de bewoner?

De hulpverlening door de politie, die alles omvat van deur openmaken tot medicijnen zoeken tot familie waarschuwen en pas weggaan als het echt weer vertrouwd aanvoelt.

En dan natuurlijk het gesprek met de gepensioneerde politieagent. Hij zette mij met al zijn vragen sterk aan het denken over veranderingen en diversiteit. Hij benoemde ook de effecten van een daadwerkelijk handhavende overheid: minder doden door arbeidsongevallen, wat een vooruitgang!

En met zijn verwijzing naar de dubbele moord op tabakswinkelier Barbara van der Hoff en haar zoontje Marcel trok hij, zonder dit te kunnen weten, voor mij ook een lijn tussen mijn vroegere werk als informatieofficier en nu. Ruim veertig jaar na deze afschuwelijke moord kwamen er bij de criminele inlichtingendienst nog wel eens tips of verhalen over deze zaak binnen. Het toont voor mij wel aan dat bepaalde gebeurtenissen in ons collectieve geheugen blijven. Dit soort zaken heeft blijvende impact. Je zal het als politieman maar meemaken.